Werk van vijf choreografen in eindvoorstelling 2016

Hoe vertaal je sixties op-art en minimal music in urban contemporary dans? Hoe ziet de hedendaagse hiphopdanstaal eruit? In de eindvoorstelling van Urban Contemporary (JMD) dansen studenten het werk van vijf choreografen van nu.
 
Ieder jaar selecteert Gerleen Balstra, artistiek leider van Urban Contemporary (JMD), samen met haar team een aantal choreografen om met gemengde groepen van de eerste- tweede- en derdejaars studenten te werken aan de jaarlijkse eindvoorstelling. De keuze valt dit jaar op Shumpei Nemoto, Heidi Vierthaler, Erion Kruja, Johnny Loyd en Ferenc Fehér.

Wat ziet Balstra als overeenkomst tussen deze vijf? ‘Voor mij vertegenwoordigen ze elk op een manier the next level van urban contemporary dans. Deze choreografen werken vanuit communicatieve expressie: het eigenaarschap ligt voor hen bij de dansers, ze gaan dieper in op de persoonlijkheid van de danser. Verder zie je dat ze allemaal ‘transdisciplinair’ werken: choreografen maken muziek, gebruiken stem, beeld, opnames, het vloeit allemaal in elkaar over.’

Balkan saamhorigheid
Verschillen zijn er uiteraard ook. Balstra: ‘Deze choreografen hebben allemaal een verschillende kleuring. Aan de ene kant van het spectrum Nemoto, conceptueel, werkend vanuit logica, maar zelf wel een dynamische danser met een heel mooie eigen bewegingstaal. Aan de andere kant van het spectrum Fehér: totaal intuïtief en fysiek, geen logica, geen rationele basis.’
Ze trekt een lijn van Nemoto naar Fehér. ‘De andere choreografen lopen van een meer abstracte, conceptuelere bewegingstaal naar een fysieke, steeds intuïtievere aanpak. Heidi werkt op basis van streamflow. Veel duetten, trio’s. Belangrijk vind ik dat ze internationaal heel veel werkt, ze geeft workshops en lessen aan company’s in allerlei landen, dus ze heeft echt een goede feel met wat er internationaal gaande is. Zij heeft de derdejaars elke week, kent ze goed, en bouwt samen met hen een taal, die eindigt in een stuk echt voor het derde jaar. Ik vind het belangrijk dat de derdejaars met iemand van Heidi’s kaliber kunnen werken.
Kruja, een danser uit het gezelschap van Hofesh, steekt in op de rituele saamhorigheid, volksdans, een Balkangevoel van we-dansen-met-zijn-allen. Verstild soms en dan weer opgestuwd door ritmes. Altijd spannend. Hij maakte een choreografie met elf vrouwelijke dansers, waarin hun persoonlijke zekerheden en onzekerheden verwerkt zijn. En Lloyd zit echt in de hiphoptaal, die heeft hij verder doorontwikkeld. Een hele mooie taal, op fysiek en intuïtief niveau.’

Open structuur
Choreograaf Shumpei Nemoto schuift aan bij het gesprek. Balstra: ‘Ik vind zijn werk intrigerend. Het is hedendaags, maar geen hiphop, hij gebruikt de taal van nu in een zachte, vloeiende toon. Ik vind het boeiend hoe hij zich vanuit zijn klassieke balletachtergrond – hij was onder andere danser bij het Cullberg Ballet – via contemporary dans ontwikkeld heeft tot een urban maker van nu. Zijn werk gaat over bewegen in een open structuur.’
Nemoto werkt samen met de studenten aan een nieuwe choreografie op Piano Phase, een bekend muziekstuk van minimal music componist Steve Reich. In Reichs muziek zitten twaalf tonen waarmee zich herhalende patronen ontwikkelen volgens het principe van de canon. Nemoto: ‘Wat ik interessant vind is: hoe kan ik deze minimal music-compositie vertalen in urban dans?’
Behalve door minimal music laat Nemoto zich voor deze choreografie inspireren door de op-art (optical art) uit de jaren zestig van de Britse kunstenares Bridget Riley. ‘Haar gestreepte schilderijen zijn statisch, maar als je erlangs loopt en kijkt, beginnen ze vanzelf te bewegen. Ik probeer ook beweging te vinden in lijnen en krommen, zodat je een vergelijkbaar effect krijgt.’

Geen koning
Hoe werkt hij als choreograaf? Nemoto zet zijn handen tegen elkaar en maakt de vorm van een piramide: ‘In het klassieke ballet zie je een strikte top-down-hiërarchie: de choreograaf is de koning, de dansers doen wat hij zegt, zij zijn de uitvoerders.’ Dan zet hij zijn polsen tegen elkaar, een omgekeerde piramide ontstaat: ‘Als reactie op de klassieke structuur zag je in hedendaagse dans een omkering van deze hiërarchie. Een choreografie ontstaat dan bottom-up: de dansers dragen het individuele bewegingsmateriaal aan, van waaruit samen met de choreograaf de dans wordt ontwikkeld.’ Nu trekt hij met één hand een lijn door de lucht. ‘Zelf werk ik in een platte structuur. Het gaat mij echt om communicatie met de dansers. Ik maak weliswaar het systeem, ik bereid het voor. Maar zodra ik begin te werken met de dansers is het organisch. Dan kijk ik hoe het werkt en pas ik het aan. De dansers vullen het systeem in met hun individualiteit, kracht en energie. Zij brengen de choreografie tot leven. Ik vergelijk mijzelf als choreograaf wel eens met een auto-ontwerper. De dansers zijn de fuel, de energie. Zonder energie kan een auto niet rijden. Zonder de inbreng en energie van de dansers is een choreografie een dood fenomeen.’

Nieuwsgierig
Nemoto selecteerde voor zijn choreografie uit de studenten zestien dansers – acht mannen, acht vrouwen. Waar lette hij op bij zijn selectie? ‘Dat vind ik lastig uit te leggen in woorden. Ik koos dansers die in staat zijn om zich aan te passen en die tegelijkertijd expressief zijn. Deze choreografie vraagt van dansers dat ze zich voegen binnen een gedefinieerd systeem, ze maken deel uit van een strak gezamenlijk ritueel. Tegelijkertijd mogen ze zich binnen dat ritueel individueel uiten. Ja, daarin zijn er sterke paralellen met society.’
Ondertussen heeft hij drie weken met de studenten gerepeteerd. Hij is enthousiast: ‘Het is geweldig om met deze dansers te werken. Ze zijn zó nieuwsgierig, ze tonen zoveel motivatie en toewijding. En ze werken heel hard. Het wordt een intens stuk!’

Ad van Dijk - ‘De oren van de voorstelling’

Van Cyrano tot Bodyguard – in zijn lange carrière was Ad van Dijk bij meer dan honderd muziektheatervoorstellingen de musical supervisor, arrangeur of componist. ‘De oren van de voorstelling’, noemt hij het zelf. Die verantwoordelijkheid draagt Van Dijk, kernteamlid van UC/JMD, ook bij deze eindvoorstelling.

Hij signaleert een tendens: ‘Choreografen gebruiken steeds vaker de stem van dansers. Deze eindvoorstelling past in die trend: vier van de vijf choreografen laat de dansers zingen of op een andere wijze geluid maken.’ Wat is zijn rol? ‘Ik luister: wat gebeurt er met zang, stem en muziek? Hoe kan ik het harmonisch geheel versterken? Wat kan ik toevoegen en verbeteren? Choreografen zijn vaak beter in dans dan in muziek en zang. Ik coach en begeleid hen én de dansers daarom om de voorstelling nog beter te maken.’

 

interview: Petra Boers

Delen