Geschiedenis van de Nationale Balletacademie

Hoe twee amateurballetscholen uitgroeiden tot een van de internationale topopleidingen voor klassiek ballet

De geschiedenis van de Nationale Balletacademie is terug te voeren op twee uitzonderlijke vrouwen: Nel Roos en Hans Snoek. Beiden leverden na de Tweede Wereldoorlog een niet te onderschatten bijdrage aan de vorming van generaties jonge Nederlandse dansers en, daarmee, aan de ontwikkeling van de danskunst in ons land.
Nel Roos (1914-1970) gaf in en na de oorlog les op de school van Yvonne Georgi. Hoewel de Duitse Georgi vooral bekend stond om haar ‘Ausdruckstanz’-choreografieën, was zij een van de eersten die in Amsterdam – aanvankelijk samen met Mascha ter Weeme en later in haar eigen school aan de Koninginneweg – lessen klassiek ballet op (voor die tijd) hoog niveau aanboden. Toen Georgi in 1948 Nederland, mede als gevolg van collaboratie met de Duitsers, verliet, deed zij haar school over aan Nel Roos.
Hans Snoek (1910-2001) richtte in 1945 het Scapino Ballet op met het doel Nederlandse kinderen in aanraking met dans te brengen. Op scholen, maar – om in hun levensonderhoud te voorzien – ook elders gaven de dansers van Scapino lessen. Al gauw bood Hans Snoek, ook vanuit het besef dat een dansgezelschap niet kan functioneren zonder toevoer van nieuwe dansers, hier de faciliteiten voor. Dit leidde in 1951 tot de (officiële) oprichting van de Scapino Dansschool.

Een wereld van verschil
Beide scholen, Balletstudio Nel Roos en de Scapino Dansschool, waren aanvankelijk amateurscholen, maar door het aanbieden van dagelijkse lessen en de instelling van een selectieklas functioneerden ze tevens als beroepsopleiding – en leverden dansers aan de Nederlandse gezelschappen. Daarbij richtte Nel Roos zich vooral op het Nederlands Ballet en later Het Nationale Ballet, terwijl de Scapino Dansschool leerlingen een breder toekomstperspectief dan enkel het Scapino Ballet wilde bieden. Een uitgangspunt dat zich vertaalde naar de lessen. Bij Nel Roos stond, zeggen oud-leerlingen, de ballettechniek voorop. “De aanpak was heel strikt, heel rigide, met veel regels.” Terwijl bij Scapino creativiteit en individuele expressie minstens even belangrijk werden gevonden als techniek. “Alles was er vrijer, persoonlijker.”

Die verschillen bleven lang bestaan. Niet alleen toen de scholen – nadat de Mammoetwet een ruimere financiering van dansvakopleidingen mogelijk maakte – uitgroeiden tot de Scapino Dansacademie (in 1959) en de Nel Roos Academie voor Ballet (in 1968), maar ook toen beide academies in 1968 opgingen in de Amsterdamse Theaterschool. “Het was een wereld van verschil”, zegt Ine Rietstap, die de Scapino Dansacademie in de jaren zeventig een aantal jaren leidde.

Wonder
Niettemin ontwikkelden beide opleidingen zich min of meer in hetzelfde tempo en in dezelfde richting. “Men keek de goede dingen bij elkaar af.” Beide academies streden succesvol voor een eerder begin van de opleiding, zodat leerlingen al vanaf groep vijf van de lagere school konden worden toegelaten. Beide academies gingen eind jaren zeventig, vlak na elkaar, een samenwerkingsverband aan met de Montessori-mavo in de Nieuwe Looiersstraat en, later, met de Zacharias Janssenschool voor lager montessorionderwijs aan de Weteringschans. Én beide academies schakelden – na diverse docententrainingen volgens deze methode – gaandeweg over op het doceren van de Russische Vaganova-techniek.
Van deze laatste en andere ontwikkelingen is, zeggen betrokkenen, overigens niet exact aan te geven wanneer ze plaatsvonden. “Het waren geleidelijke processen”, aldus Rietstap, die het een wonder noemt dat, bij het ontbreken van een danstraditie in ons land en daardoor gedurende de eerste decennia ook van gediplomeerde docenten en een duidelijke structuur, de opleidingen toch zulk goed werk hebben verricht. “Beide scholen hebben immers generaties dansers en solisten afgeleverd en, met Ed Wubbe en Ted Brandsen, twee van de belangrijkste artistiek leiders in ons land.”

Nieuwe naam, nieuw gebouw
Dat de twee academies, ondanks de ‘cultuurverschillen’, uiteindelijk zouden fuseren, was min of meer onvermijdelijk: ze boden in grote lijnen dezelfde opleiding. In 1987 legden de directies van beide opleidingen hun functie neer, onder wie Maria Koning die, na de dood van Nel Roos, zeventien jaar lang de Nel Roos Academie had geleid. Onder aanvoering van Erna Droog ging de nieuwe, samengevoegde Opleiding Klassiek Ballet van start, in 1988 omgedoopt tot de Nationale Balletacademie.
Er was toen al sprake van een samenwerking met Het Nationale Ballet, zij het niet zo intensief als tegenwoordig. Vanaf 1980 gaven solisten van het gezelschap les aan de Nel Roos- en Scapino-academie, leerlingen van de scholen dansten mee in grote avondvullende producties van het gezelschap en in 1986 stelde Het Nationale Ballet een coördinator aan om de samenwerking met de academies verder vorm te geven: voormalig eerste solist Francis Sinceretti, die later, van 1991 tot 2001, ook de leiding van de Nationale Balletacademie voor zijn rekening zou nemen en die nog steeds door iedereen wordt geprezen om de buitengewoon menselijke en betrokken manier waarop hij zijn leiderschap invulde.

Vanaf 1990 konden de balletleerlingen naast de mavo voortaan ook kiezen voor een opleiding op havo- en later ook vwo-niveau. Er kwam een samenwerkingsverband met de Gerrit van de Veen School, terwijl de basisschoolleerlingen de overstap naar de Olympia School maakten, vlakbij de studio’s van de vooropleiding in de Agamemnonstraat. De oudere leerlingen – vanaf groep 3 van de middelbare school – verhuisden in 1996 van de oude studio’s in de Kerkstraat naar het nieuwe gebouw van de Amsterdamse Theaterschool (nu Academie voor Theater en Dans) aan de Jodenbreestraat.

Afsplitsing vooropleiding
In 2001 werd op instigatie van de Theaterschool-directie de vooropleiding afgesplitst van het hbo-gedeelte van de Nationale Balletacademie. De vooropleiding moest zich, aldus de directie, zou zich voortaan gaan richten op een breder aanbod aan dansvakken richten om zo een kweekvijver voor álle dansopleidingen van de Theaterschool te zijn. Deze koerswijziging bleek echter niet te werken:ideaal te zijn. .de verbreding van het lesaanbod zorgde voor verwatering en de kwaliteit van het klassieke-balletonderwijs leed daar ernstig onder. Simon de Mowbray, artistiek leider van 2002 tot 2007, en met name zijn opvolgster Vicki Summers (die voorafgaand aan haar benoeming in 2007 zes jaar hoofddocent van de vooropleiding was) hebben zich dan ook tot het uiterste ingespannen om die situatie terug te draaien en de vooropleiding weer gekoppeld aan de hbo-opleiding te krijgen. Wat, mede doordat een beroep gedaan kon worden op het in 2008 ontwikkelde Sirius-programma voor excellentieonderwijs van het Ministerie van OCW, uiteindelijk ook gelukt is. Ook hebben zij de banden met Het Nationale Ballet verder aangehaald en daarbij vonden zij in Ted Brandsen, in 2003 aangetreden als artistiek leider, een enthousiaste bondgenoot. Summers en Brandsen spraken destijds zelfs al over de oprichting van een juniorengezelschap, een plan dat in 2013 ook daadwerkelijk gerealiseerd zou worden.

Intensieve samenwerking met Het Nationale Ballet
Zo legden De Mowbray en Summers als het ware het fundament voor de verdere ontwikkeling en professionalisering van de Nationale Balletacademie, zoals die onder leiding van Engelsman Christopher Powney en later Jean-Yves Esquerre (artistiek leider tot 2018) gestalte zouden krijgen. Powney leidde de Nationale Balletacademie van 2010 tot 2014. Hij betrok Het Nationale Ballet onder meer ook bij het aannamebeleid van de academie en ontwikkelde een gezamenlijk opleidingstraject voor docenten, waarbij (ex-)dansers van het gezelschap getraind worden in het lesgeven aan jonge balletstudenten. Daarnaast wist Powney in 2013 meesterchoreograaf Hans van Manen over te halen om beschermheer van de Nationale Balletacademie te worden; Ted Brandsen werd bij diezelfde gelegenheid benoemd tot artistiek adviseur van de academie.
Ook werd, zoals vermeld, in 2013 de Junior Company van Het Nationale Ballet opgericht, een juniorengezelschap dat een brug slaat tussen opleiding en professie. Laatstejaarsstudenten én net afgestuurde danstalenten krijgen in de Junior Company de kans zich intensief voor te bereiden op hun toekomst als danser binnen een groot professioneel balletgezelschap. De Junior Company heeft zich de afgelopen jaren, onder de bezielende leiding van Ernst Meisner, ontwikkeld tot een internationaal veelgevraagd ensemble en een vruchtbare kweekvijver voor Het Nationale Ballet. Inmiddels zijn al 22 junioren doorgestroomd naar het ‘volwassen’ gezelschap en in september aanstaande volgen er nog eens vijf.

Internationale standaard
Van 2014-2018 stond de Nationale Balletacademie onder leiding van Fransman (en oud-NDT danser) Jean-Yves Esquerre. Tijdens die periode heeft Esquerre de 'ramen en deuren' geopend voor buitenlandse studenten en leerlingen, waarbij de school nauw heeft samengewerkt met andere gerenommeerde internationale dansopleidingen.

Intensieve samenwerking met Junior Company
Sinds september 2018 is Ernst Meisner benoemd tot artistiek leider (ad interim) van de Nationale Balletacademie (NBA). René Vlemmix is benoemd tot interim zakelijk leider. Ernst Meisner is artistiek coördinator van de Junior Company van Het Nationale Ballet en choreograaf. Hij zal zijn nieuwe functie van artistiek leider van de Nationale Balletacademie combineren met zijn huidige functie als artistiek coördinator van de Junior Company. Met de komst van Ernst Meisner intensiveert de Nationale Balletacademie de samenwerking met de Junior Company, de springplank voor getalenteerde afstuderende en afgestudeerde dansers. De relatie tussen de twee partners zal worden voortgezet en uitgebouwd.

Tekst: Astrid van Leeuwen

Delen