Artistiek onderzoek - Wat houdt dat in? Een gesprek met Toni Kritzer

Onderzoek aan de Academie voor Theater en Dans, we weten dat het gebeurt, maar wat houdt het precies in? Dit is deel 26 van een serie interviews; een kijkje in de keuken. Een gesprek met Toni Kritzer, afgestudeerd aan de Regie Opleiding in 2024, die onderzoek doet naar ziekte en ecosystemen en in samenwerking met het Lectoraat The Garden Project, een uitdijende tuin op het dak van de school verzorgt. 

Deel 26: Over het liefhebben van een slak

Groen is de kleur van het dakterras op de achtste verdieping. Dat wat tot twee jaar geleden nog een veld van stoeptegels was, draagt nu maar liefst dertig bedden met planten en zelfs een appel- en een vijgenboom. Het plan leefde al decennia, in 2023 stond Toni Kritzer aan het begin van de verwezenlijking ervan. Een gemeenschappelijke tuin door velen gedragen, verzorgd door een heleboel ‘gestures of care’. Toni: ‘Het gaat om de kleine gebaren, iemand die wat blaadjes verveine plukt voor de thee, of z’n restje koffie uitgiet op de aarde, of simpelweg even ruikt aan een bloem.’

Toni Kritzer: ‘Natuurlijk vraagt de tuin ook om het grotere werk: het aanleggen van nieuwe bedden en, zoals afgelopen juni, een irrigatiesysteem. Daarmee heeft de tuin de zomer glansrijk doorstaan. Er zijn nu bonen en aardappels en er was in juni een geweldige aardbeienoogst.’ 

Had je verstand van tuinieren toen je aan de daktuin begon?

‘Niet echt. Wat ik meebracht waren de herinneringen in mijn lichaam, ik groeide op in Zuid-Duitsland, in een afgelegen en heuvelachtig gebied. Mijn ouders tuinierden en boerden, als kind plukte ik de kevers van de aardappelplanten en gooide ze dan in de rivier. Voor de aanleg van de daktuin vroeg ik ervaren tuiniers om advies, zij reageerden allemaal wat huiverig: alles was afhankelijk van de specifieke plek, de grondsoort, het weer. Niets was ooit volledig stabiel. Dat vond ik interessant, hun kennis had dus een hele andere kwaliteit dan we gewend zijn, alles was plaatsgebonden en relationeel. Ik vind dat mooi in de context van een school.

Het dakterras is voor planten geen makkelijke plek. Het waait er ontzettend en de zon brandt enorm. En toch zijn veel planten ontzettend volhardend, ze blijven groeien en bloeien, dat is prachtig. Ik heb ontzettend veel van ze geleerd. Hoe ze een zekere wanorde toelaten, onverwacht opduiken tussen spleten en kieren, en ruimte opeisen die hen niet vanzelfsprekend toebehoort. En het mooie is dat dit alles gebeurt in gemeenschappelijkheid: binnen de kortste keren vermenigvuldigen de planten zich via de grond of verspreiden ze hun zaden, zo zie je hoe leven meer leven mogelijk maakt. Inmiddels wemelt het er ook van de insecten die aan komen vliegen of het dak vinden via de boom naast de school.’ 

Is de tuin een project dat deel uitmaakt van jouw programma aan de Regie Opleiding?

‘De tuin is geen project, het is een levend systeem. In de context van een kunstopleiding wordt alles een project, maar het zou best wreed zijn om zo te spreken over een mens, dier of plant. Ik ben ook niet ‘de maker;’ het idee van auteurschap zou niet kloppen met de werkelijkheid. De tuin wordt gedragen door velen, en is verbonden aan het Platform Sustainability en aan het Lectoraat. Er zijn regelmatig bijeenkomsten in de tuin, waarbij iedereen welkom is. Dan maken we onze handen vuil. De tuin is een echte ontmoetingsplek - met de planten én met elkaar.’ 

Ik begreep dat je ook een voorstelling hebt gemaakt die The Sick Garden heet.

‘Ja, dat is wél een project (lacht). Het is een voorstelling, een lezing, een workshop; het verandert telkens van vorm. Anderhalf jaar geleden verhuisden mijn partner en ik naar een huis met een grote, overwoekerde tuin. Ik verheugde me erop om daarin aan de slag te gaan. Als je een tuin aan z’n lot overlaat krijg je een monocultuur. Maar toen kreeg ik Covid, wat Long Covid werd. Terwijl mijn gezondheid snel achteruit ging, werden onze prille gewassen door een naaktslakkenplaag weggevreten. Een zomer lang vermoordde ik alle slakken die ik tegenkwam, tot een vriend me erop wees dat ik misschien ook iets van ze kon leren. Naaktslakken zijn zo open, zo doorlaatbaar en kwetsbaar, dat het moeilijk is om van ze te houden - terwijl ze  tegelijkertijd ook zo veerkrachtig zijn -. Ik herkende in mijn zieke lichaam hun zware manier van bewegen, de traagheid waarin mijn leven verviel. Later ontdekte ik dat ik niet de enige queer-crip was (onder andere ook de Engelse kunstenaar Abi Palmer) die een liefdevolle houding tot slakken zocht. 

Ik realiseerde me ook hoe kwetsbaar ik zelf was: ik was door een eenvoudige inademing ziek geworden. Dat we allemaal onderling verbonden zijn is dus niet alleen een romantisch idee, maar betekent ook besmetting en plagen. In één klap van een plaag of aandoening af zijn, is een droom. De realiteit vraagt om uit te zoeken hoe je ermee kunt leven. Omdat mijn lichaam en de tuin het tegelijkertijd lieten afweten, begon ik een onderzoek naar ziekte en ecosystemen en disabled ecologies. Ik moest voor mezelf opnieuw uitzoeken wat gezondheid, succes en falen was.’

Wat bedoel je?

‘Wat falen en wat succes is, is in een tuin niet zo duidelijk. Terwijl slakken en rupsen onze jonge plantjes kaal vraten, maakten zij onbedoeld meer ruimte voor grassen. Aan het einde van de zomer kwamen daar allemaal vlinders op af. Dat was zo mooi. Ik realiseerde dat falen en succes ook voor mezelf moest herdefiniëren. Dat er in mijn leven – net als in een tuin- ook ruimte moest zijn voor verval, voor compost en dood hout. Het leven wordt daarmee ingewikkelder en lelijker, maar ook meer ‘alive’. 

Hetzelfde geldt, denk ik, op grotere schaal. De klimaatcrisis noodzaakt ons om op ons gemak te raken met dood en verval. Onze tuinen en  ecosystemen zullen de komende jaren steeds zieker worden. Kunnen we daarbij aanwezig blijven en zorg dragen voor de wereld in onszelf en om ons heen?  Ik denk dat we daarin veel kunnen we leren van de crip-artists, die ons hierin op een bepaalde manier voorgaan.’

Je voorstelling The Sick Garden gaat over deze thematiek.  

‘Ja, in The Sick Garden werk ik met tekst en zang, ik begin in mijn rolstoel en kruip gaandeweg steeds verder naar de grond. Daarbij verander ik langzaam in een slak. Uiteindelijk ben ik helemaal in een laken gewikkeld en bedekt met slijm, en draag ik een masker met tentakels erop.’

Hoe reageren mensen op dit werk?

‘De mooiste reactie kwam eigenlijk van een lieveheersbeestje, die tien minuten voor het einde op mijn hand ging zitten en niet meer weg wilde vliegen. Normaalgesproken eindig ik de voorstelling met een gezamenlijke meditatie waarbij ik mijn handen in het water steek. Om te voorkomen dat het lieveheersbeestje zou verdrinken heb ik de voorstelling stopgezet, en ben ik de laatste tien minuten met het publiek in gesprek gegaan. Verder doen de reacties van andere chronisch zieken mij veel. Zij vinden het een verademing dat ik mezelf toestemming geef om op de grond te liggen, dat ik geen gezondheid uit hoef te stralen op het toneel.

Om zo kwetsbaar te zijn, zo doorlaatbaar, is enorm confronterend maar ook heel rijk. Ik heb het geluk te mogen ervaren hoe het is om diep afhankelijk te zijn van anderen – ik bedoel van mensen, dieren en planten. En daarin juist méér aanwezig te zijn. Het jaar waarin ik aan de overwoekerde tuin begon was achteraf gezien niet het jaar om voor de tuin te zorgen, de tuin zorgde voor mij. Hij ving me op in mijn val, op een bodem van slijm en rottende bladeren, dat was op een bepaalde manier best comfortabel.’

(Toni haalt het slakkenmasker dat Lou Seidel voor hen maakte. Komt terug en zegt: )

‘Het is mooi dat we dit gesprek nu hebben, op de rand van zomer naar herfst. Een goed moment om naar die ruimte te bewegen, om echt aanwezig te zijn bij dood en verval.’

Interview: Hester van Hasselt

 

 

 

 

 

 

 

Delen