Een geboren en getogen Fries, doorgewinterd als leidinggevende en thuis in de kunsten. Sinds half augustus is Oeds Westerhof de nieuwe directeur van de Academie voor Theater en Dans. Een kennismakingsgesprek.
Oeds Westerhof: Het leuke van deze academie is dat niets is wat je op het eerste gezicht denkt dat het is. En dat maakt hem ook ingewikkeld – wat ik juist boeiend vind. Toen ik hier solliciteerde dacht ik dat de studenten tussen de 17 en 24 jaar zouden zijn, maar de jongste is 7 (van de Nationale Balletacademie) en de oudste 64 (bij Theaterdocent Verkort). Alle opleidingen zijn totaal verschillend, daar heb ik me de afgelopen maanden in verdiept. Ik geloof dat ik het een beetje begin te begrijpen, de nuances in termen van historie, visie en metier. Vervolgens komt de vraag of je die verschillen zo in stand wilt houden. Hoe meer maatwerk, hoe meer je je verliest in ondersteuning om dat te organiseren. Daar moeten we de komende jaren een nieuwe balans in vinden.
Is er een kerngedachte van waaruit jij werkt?
Ja. Voordat ik ergens aan begin moet ik de waarde ervan inzien, én het gevoel hebben dat ik zelf van toegevoegde waarde kan zijn. Ik vind het mooi dat ik in dit latere deel van mijn loopbaan mijn kennis en tijd mag geven aan het onderwijs. Aan de toekomst. Aan jonge mensen die het later gaan dragen. En dan ook nog eens in één van de hoofdsteden van de vrije wereld, die steeds guurder lijkt te worden. Dat vind ik superrelevant.
En je toegevoegde waarde?
Ik heb een volle bingokaart op het gebied van kunsteducatie (lacht). Ik heb vier instellingen op gemeentelijk niveau geleid, één op provinciaal en drie op landelijk niveau: het Landelijk Kenniscentrum Cultuureducatie en Amateurkunst, het Fonds voor Cultuurparticipatie en de Cultuurconnectie, een brancheorganisatie die ik met anderen heb opgericht.
Wat de theatersector betreft: recent heb ik mijn interim-opdracht bij Theater Sneek afgerond met het poppodium Bolwerk. In Nijmegen mocht ik Lux leiden, in Amsterdam Pakhuis de Zwijger. Ik heb ook het Oerolfestival geleid. Van 2012 tot 2019 zat ik in de directie van Leeuwarden Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa. Daar werkten we met groepen als Orkater en het Franse gezelschap Royal de Lux.
Wat zouden de mensen met wie je gewerkt hebt, zeggen dat jouw kracht is?
Oei, dat zou ik nooit zeggen. Maar goed. Ik denk dat ik goed kan zien waar iets werkelijk om gaat en dat ik dat vervolgens kan omzetten in beweging.
Is dat iets wat je als kind al deed?
Ja, ik vrees van wel. We woonden in een klein Fries dorp, Nijega, bij Drachten. Ik ging naar de christelijke school drie kilometer verderop, mijn vriendjes naar de school in het dorp. Als ik ’s middags thuiskwam zaten ze al op de picknickbank tegenover ons huis op mij te wachten. Dan kwam ik met een idee, en dan gingen we dat doen. Ik kwam ook wel uit zo’n familie: als er iets in het dorp gebeurde, was er altijd wel één van ons bij betrokken, in het zangkoor, op school, in de kerk of bij de toneelvereniging. Mijn vader was koster en timmerman en orkestbediende. Hij is al lang niet meer onder ons, ik was 23 toen hij stierf.
In onze familie was het vanzelfsprekend dat je maatschappelijk beweging maakt. Dat je samen dingen doet. Dat is wat ik nog altijd doe, meestal in de rol van initiator, of verbinder of probleemoplosser.
Je hebt vanuit dat maatschappelijk engagement ook een boek geschreven: Friesland, mijn liefde.
Dat is een roman in brieven. Ik combineer daarin mijn familiegeschiedenis, de geschiedenis van Friesland en de vraag hoe we de samenleving in Nederland organiseren. Daarin is veel ‘samen’ verloren gegaan. Dat is niet per ongeluk gebeurd, daar lagen beslissingen aan ten grondslag. Meestal werd een individu of organisatie daar beter van, maar de samenleving niet per se. Dat is waar ik in mijn boek grip op probeer te krijgen.
En dat neem je mee in je nieuwe functie?
Ik neem alles wat ik gedaan heb mee naar hier. Dat is wie ik ben. Ik ben geen manager die vanuit methodes werkt, ik beschouw mezelf meer als een cultureel leider. Op dit moment probeer ik me een idee te vormen van de werkelijke bestaansreden van deze academie. Mijn bevindingen toets ik voortdurend aan mensen die ik binnen en buiten de academie ontmoet. Vervolgens wil ik weten of hetgeen we hier doen ook klopt.
Wat kom je zoal tegen?
Onze maatschappelijke opdracht is dat we onafhankelijk denkende en werkende kunstenaars afleveren. Tegelijkertijd moet je, om dit onderwijs te kunnen genieten, een lening aangaan. Ik heb daar geen oplossing voor, maar ik vind dat wel strijdig met elkaar.
Er gebeuren hier ook mooie dingen. Bij Docent Dans en Theaterdocent word je opgeleid om te werken in het voortgezet en lager onderwijs, in centra van de kunsten, op dans- en theaterscholen, in de wijk en de buurt en in de zorg. Deze studenten krijgen een opleiding die hen in staat stelt om in de samenleving een spil te zijn, die met theater of dans beweging maakt. Dat is volgens mij precies wat deze tijd nodig heeft.
Wanneer denk je dat je klaar bent met je onderzoek?
Er komt een moment dat ik kan zeggen: Dit is het idee. Dat probeer ik dan zo helder en toegankelijk mogelijk te beschrijven, zodat het makkelijk uitlegbaar is, en iedereen denkt: hier kan ik wat mee. Ik wil de hoofdlijnen van het plan in de tweede helft van januari 2026 uiteenzetten. Daarna hebben we tijd nodig om het plan uit te werken – en om het er samen over te hebben binnen de schoolgemeenschap.
In de loop van 2027 krijgt de AHK een nieuwe website. Een frisse website vraagt ook om een heldere organisatie. Daar moeten we samen aan werken.
Je gaat het dus niet in één keer allemaal anders doen.
Ik geloof niet zo in mensen die zeggen dat ze het hélemaal anders gaan doen. Meestal gaat het dan alleen financieel anders, terwijl de financiën altijd slechts een afgeleide zijn. Vaak is het vooral een cosmetisch spel met woorden.
Daarmee krijg je zo’n organisatie natuurlijk niet om.
‘Om hebben’ vind ik ingewikkeld, zo werkt het niet.
Hoe werkt het wel?
Dat je een sfeer creëert waarin je met z’n allen begint aan een zenuwachtig makend avontuur. Net zoals je aan een voorstelling begint.
Je spreekt uit ervaring. Kun je een voorbeeld geven van zo’n spannend avontuur dat goed afgelopen is?
Ja, de gedachte dat je met Leeuwarden de culturele hoofdstad van Europa zou kunnen worden is natuurlijk al infaam. En dat je dat ook nog weet te winnen van Den Haag, Utrecht, Maastricht en Eindhoven. Dat het lukt om een dusdanige structuur te bedenken dat het motortje gaat lopen, en het uiteindelijke programma groter, rijker en diverser is dan van tevoren beloofd. Wat gemanifesteerd wordt doordat er reuzen door je stad lopen, de reuzen van Royal de Lux.
Het mooiste vind ik dat het gegaan is zoals we voorspeld hadden. Als directie konden we alleen bepalen waar we geld en aandacht aan zouden geven. De mensen kwamen zelf met ideeën. We hadden vijf criteria opgesteld. Ieder project moest laten zien wat het artistieke idee was, dat mensen konden participeren, dat het een Europese dimensie had, wat er aan gedaan werd om de ecologische voetprint zo klein mogelijk te laten zijn en dat de begroting sluitend was. Dat betekende dat iedereen vanuit zijn eigen kracht mee kon doen. Zowel de koster van een dorp als Reduzum als de artistiek leider van Oerol. Het was heel helder hoe je bij kon dragen. Het is mijn overtuiging dat mensen heel graag bij willen dragen. Ik ook. Ik zeg wel eens dat ik de koster van een theater ben. Ik doe hetzelfde als mijn vader in de kerk van Nijega.
Over je benoeming aan de ATD zei je dat je het een eer vond dat je hier als directeur mag dienen. Komt daar een geloof bij kijken?
Nee, bij mijn ouders wel. Ik werd op mijn zeventiende door de dominee verzocht om de catechisatie te verlaten, omdat mijn vragen niet goed waren voor het zielenheil van de andere jongeren in de groep.
Is er één idee voor de ATD dat je alvast kunt noemen?
Ik vind dat we een serieus alumnibeleid moeten voeren. Dat we veel in dialoog moeten gaan met mensen die hier gestudeerd hebben. Dat we die hier moeten verwelkomen.
Op welke manier?
Waar zij zelf iets mee willen – dat kan voor iedereen anders zijn. Als je denkt in termen van een leven lang leren, is lesgeven misschien wel de mooiste vorm van leren. Zo heb je niet alleen een leven lang wat aan elkaar, maar bouw je ook samen aan de toekomst van de performatieve kunst.
Tekst en interview: Hester van Hasselt
